Flashcards bestaan al lang. Het boek *Reading disentangled* van Favell Lee Mortimer uit 1834 geldt als het eerste boek dat op dit principe rust: hoofdstuk 1 toont plaatjes bij letters, hoofdstuk 2 alleen nog de letters, met de instructie aan de leraar «dat het kind de plaatjes uit het eerste hoofdstuk blijft benoemen».
Sebastian Leitner presenteerde in de jaren zeventig een eenvoudige, effectieve manier om feiten in te oefenen. Het is makkelijk te zien hoe bruikbaar dit is om woorden in een vreemde taal te stampen, maar flashcards werken net zo goed voor bijvoorbeeld wiskundige formules.
Door kaarten periodiek door te nemen fris je je geheugen op en werk je de vergeetcurve deels weg.
De kaarten zelf maken is eenvoudig. Kies een formaat dat je makkelijk kunt stapelen en doornemen, bijvoorbeeld visitekaart- of bankpasformaat.
Op de voorkant schrijf je één of een paar trefwoorden, op de achterkant wat je uit je hoofd moet kennen — formules, schema’s of figuren, woorden in een vreemde taal, wat het ook is. Hoe korter en bondiger, hoe meer tijd je bespaart. Je kunt de kaarten ook omdraaien: begin bij het antwoord en zoek de sleutel.
Er zijn veel websites en apps met digitale varianten; Wikipedia heeft een uitgebreide lijst.
Wil je het leren zelf sturen, gebruik dan het model van Leitner:

- Als je begint, liggen de kaarten in één stapel die je vaak doornemen. Elke kaart waarvan je het antwoord wist, verhuis je naar stapel 2, die je minder vaak doet. Neem stapel 2 elke dag door.
- Na twee dagen neem je stapel 2 door. Elke kaart waarvan je het antwoord wist, gaat naar stapel 3. Elke kaart waarvan je het antwoord vergeten was, gaat terug naar stapel 1.
- Wekelijks neem je stapel 3 door. Elke kaart waarvan je het antwoord niet meer weet, gaat terug naar stapel 2.
Je kunt de frequentie natuurlijk aanpassen. Onthoud ook: antwoorden opschrijven of hardop zeggen helpt om de informatie naar het langetermijngeheugen te verplaatsen.